De toren die blijft klinken
Artikel
Het is nog vroeg als ik mijn jas aantrek en de deur achter me dichttrek. De kou bijt licht in mijn wangen, maar ik glimlach al. Vandaag is het carnaval. Vandaag wordt Breda weer even ut Kielegat. Onderweg naar het centrum zie ik het gebeuren. Eerst voorzichtig, bijna verlegen. Maar met elke stap groeit het. Rood-oranje verschijnt overal. Vlaggen aan gevels, sjaals om halzen, beenwarmers die hun weg naar buiten hebben gevonden. Van alle kanten sluiten mensen aan. Ieder in zijn eigen uitdossing, maar allemaal met hetzelfde doel: samen de stad in.
De cafés zijn al open. Vanuit de deuropeningen glippen de eerste klanken naar buiten. Een kapel zet ergens verderop in. De ramen zijn beschilderd, afgeplakt, afgesloten. Wat binnen gebeurt, is geheim. Het echte leven speelt zich vandaag op straat af.
Op de Grote Markt is de stad volledig wakker. Kleine groepjes mensen, ieder met een eigen verhaal, een eigen grap, een eigen creatie. Nog voor ik bij de Grote Kerk ben, heb ik al meerdere ludieke acts gezien. Dit is de vrijheid van ut Kielegat: alles mag, niets moet, zolang het maar samen is.
Mijn blik gaat omhoog naar het stadhuis. Kiske en Mieske hangen er, met hun ondeugende glimlach. Alsof ze alles zien en goedkeurend knikken. De menigte wordt dichter, warmer. En dan is hij daar: de Prins van ut Kielegat, met zijn gevolg en hofkapel.
Zonder woorden krijgt hij ruimte. Zonder afspraak krijgt hij respect. Het feest volgt vanzelf. Ik dweil mee. Soms dansend in een polonaise, soms pratend met een vriend, soms lachend met een volstrekte vreemde. Het maakt niet uit wie je bent of waar je vandaan komt. Vandaag hoor je erbij. En terwijl ik daar sta, midden in de menigte, voel ik het weer: carnaval in ut Kielegat is meer dan een feest.