Wanneer ut Kielegat ontwaakt
Artikel
Als ik de Grote Toren zie, weet ik waar ik ben. Thuis. Dat gevoel bezingt Arjan Broeders, en iedereen die in Breda is opgegroeid, herkent het. Voor mij is die toren meer dan een herkenningspunt in de skyline. Het was jarenlang ook letterlijk de toren van mijn vader.
Hij was 37 jaar stadsbeiaardier van Breda. Hoog boven de stad liet hij de klokken spreken. Sinds 2012 heb ik het stokje van hem overgenomen. Daarmee sta ik in een familietraditie die inmiddels meer dan een eeuw teruggaat. Mijn overgrootvader begon ermee in 1923. Hij vond dat de klokken beter konden klinken en startte een campagne.
Bredanaars en bedrijven droegen bij aan een nieuw carillon. Veel van die klokken hangen er vandaag de dag nog steeds. Ter ere van die nieuwe beiaard werd in 1929 De Paarse Heide geschreven. Het Bredase volkslied. Nog altijd galmt het door het stadion na elke NAC-wedstrijd: “Breda vooruit, de klokken luiden.” Muziek als lijm tussen mensen, toen al.
Twee keer per week beklim ik de toren. Achter de wijzerplaten speel ik voor de stad. Van Bach tot Europapa, van Mozart tot Vader Abraham. De beiaard is er voor iedereen. Voor jong en oud. Ik speel mee met wat er leeft: jazzfestival, carnaval, een overwinning van NAC, en soms ook een nederlaag, om een hart onder de riem te steken.
Ik ben niet de eerste. Voor mij waren er 21 stadsbeiaardiers. Dit jaar vieren we zelfs 500 jaar stadsbeiaardier in Breda. De eerste heette Thomas den Beyaert – een naam die blijkbaar verplichtingen met zich meebrengt.
Je kunt dit gerust immaterieel erfgoed noemen, diep verankerd in het hart van de stad. Zolang de klokken blijven klinken en we de verhalen blijven doorgeven, blijft dit erfgoed leven. Wat mij betreft: op naar de volgende 500 jaar.